zondag 28 september 2008

Mount Qomolangma!!!!!!!!!!!!!!!



28 september 1999

Huh? Wat is dat? Het is diezelfde berg die voor de rest van de wereld onder de naam Everest schuilgaat. Ik vermeld het maar om de arrogantie van de Westerse wereld aan te tonen. En neen, het was niet Sir Edmund Hilary die hem als eerste heeft beklommen, maar ergens een al lang vergeten Sherpa. Maar daar gaat het nu niet om.

Ann, Kylie en ik zijn om 5 uur opgestaan in de hoop om in het bijna volle maanlicht naar het basiskamp te kunnen wandelen en ondertussen de Everest in volle glorie te kunnen aanschouwen. Dat lukt voor ongeveer een half uur -ook dit beeld is in mijn hersenen gebrand- waarna de berg in een dikke mistlaag gehuld wordt.

Ondertussen hijgen we bijna 3 uur op een redelijk vlak pad om dichter bij het basiskamp te geraken, de 5.000 m hoogte vergt zijn tol. Het basiskamp stelt niet veel voor: een gebouw waar je warme dranken kan krijgen en waar de parkranger te vinden is, twee toiletten en veel afval. Er staan een aantal tenten, maar geen enkele behoort tot een klimexpeditie.

In afwachting van het optreden van Qomolangma, vervriezen we. Ik was vergeten wat bijtend koud betekent, maar nu is mijn geheugen terug opgefrist. Rond 10 uur is de mist volledig weg en blinkt de besneeuwde top tegen een helblauwe achtergrond.

Terwijl de rest van de groep druppelsgewijs opdaagt, warm ik mijn lijf op in de zon, het vergt bijna een uur, maar het gevoel is zalig.

Rond één uur verlaten we de berg en rijden we zonder incidenten terug naar onze vertrouwde vrachtwagen. Ik heb er opnieuw een dagje ongelooflijke landschappen opzitten.

zaterdag 27 september 2008

Mount Everest


27 september 1999

We hebben onze vrachtwagen omgewisseld voor (denken we) 4X4's die ons naar één van de twee Chinese basiskampen aan de voet van Mount Everest brengen. Vandaag rijden we tot aan een oud klooster, Rongbuk om dan morgen te wandelen tot aan het basiskamp. We zijn met 4 Toyota Landcruisers, niet echt van het recentste model en wat erger is, niet echt met ervaren chauffeurs.

Dit maakt dat ergens in de namiddag er eentje vastrijdt, niettegenstaande de volledige inhoud van de Landcruiser aan het schreeuwen was om een andere, betere, weg te nemen.

De achterwielen zitten volledig in de modder. De voorwielen staan op vaste grond, maar oh verrassing, de vierwielaandrijving werkt niet.
Het helpt evenmin om de Landcruiser eruit te slepen, de banden van de enige wagen met werkende vierwielaandrijving zijn zo versleten dat hij geen grip krijgt op de ondergrond.

De behulpzaamhied van onze kant voor zoveel domheid en verwaarlozing is minimaal. Terwijl de 4 chauffeurs de wagen proberen op te krikken om stenen onder de achterwielen te plaatsen, proberen wij te communiceren met 3 herdersvrouwen die maar al te geïnteresseerd zijn in lege blikjes en flessen. In vorige contacten was dit ook al duidelijk, blikjes en flessen blijken nog een leven na het consumeren te hebben.

Als een van de vrouwen zich per ongeluk aan Richard's sigaret verbrandt (mijn schuld) en ik een zalfje en een klever bovenhaal, krijg ik ze plots alledrie rond mij. Ik versta geen snars van wat ze zeggen, maar ik krijg blijkbaar alle medische problemen te horen (in dit geval is discretie verzekerd). Eentje wijst op een vuile pleister op haar wang en probeert een nieuwe te bemachtigen. Medische verzorging als statussymbool, wie had dat gedacht?

Na twee uur wroeten is de Landcruiser eindelijk uit de modder en kunnen we verder. Als we Rongbuk naderen, blijkt Everest in wolken gehuld, na een blijkbaar wolkenloze namiddag. Indien we hem morgen niet te zien krijgen, kunnen de chauffeurs terecht voor hun leven vrezen.

vrijdag 26 september 2008

Exodus Roadworks Unlimited a.k.a. Deus Ex Machina

26 september 1999

De wegen zijn in extreem slechte staat. Volgens Jez is deze trip de zwaarste in het Exodusprogramma, zowel voor de vrachtwagen als voor zijn bewoners. Als we weer eens op wegenwerken stoten (uitgraven van een smalle afwatering in de weg) en omrijden, raken we hopeloos vast in de modder en in de rotsen.

Het reservewiel (onder de vrachtwagen gemonteerd) zit in de grond geklemd en de achterwielen slippen hulpeloos rond. Een aantal graven de truck uit, de rest versleurt stenen en keien om het vervolg van de omweg vaste ondergrond te geven.

Terwijl we dit doen, reageren de Chinese vrachtwagenbestuurders op verschillende manieren. Sommigen riskeren een nieuwe omweg en worden beloond met uren proberen uitzoeken hoe er terug uit te geraken. Sommigen zitten gelaten langs de weg, wachtend op het einde van de wegenwerken of een Deus Ex Machina. En sommigen trekken zich niets van onze inspanningen aan en rijden over onze weg in aanleg, waarbij ze telkens een deel van het opgebouwde vernielen.

Op Tienanmen-achtige wijze voor hun truck staan helpt geen haar, ze zouden over je heen rijden. Eentje geraakt vast net naast onze truck en in een iets schevere positie. Het is een mooi zicht.

Als een groep Duitse toeristen onze weg gebruikt en daarna stopt niet om te helpen maar om onze activiteiten te volgen, wordt bijna een WOIII gestart. Ze maken zich alleszins niet echt populair.

Na veel moeite krijgen we de vrachtwagen terug op de weg, aan de verkeerde kant van de wegenwerken. Phil stelt voor om te helpen met de wegenwerken, het lijkt de enige manier om hier zo vlug mogelijk weg te geraken.

Anderhalf uur later is de weg dicht (en de afwatering hopelijk van goede kwaliteit) en kunnen we verder hotsen. Old Tingri ligt in theorie 3 uur van ons verwijderd, het zullen er zes worden.

We slippen door een met maanlicht verlicht landschap (dit beeld is voor de rest van mijn leven in mijn geheugen gegrift) terwijl het in de truck ongelooflijk stil is.

Sommigen zijn ziek, anderen zijn de uitputting nabij. We moeten nog een aantal maal de truck uit terwijl Mark het ding door gevaarlijk modderig en hobbelig gebied loodst om uiteindelijk aan het einde van ons Latijn in een veel te duur bed terecht te komen. Dit was een dag om niet te gauw te vergeten.

donderdag 25 september 2008

Op naar Shigatse




23 - 25 september 1999

Een half uur te laat vertrokken -het zijn altijd dezelfden die pas ontwaken als het gros van de groep al klaar is- en het belooft een moeilijke rit te worden.

We nemen de oude route tussen Lhasa en Shigatse die ons opnieuw door een adembenemend landschap voert. 2 maal moeten de mannen uit de truck om de weg vrij te maken van hopen aarde die daar gestapeld zijn om te nivelleren, alhoewel er geen aanwijzingen zijn dat het nog dit millennium zal gebeuren.

Verschillende malen blijkt de vrachtwagen amper hoog genoeg om over de hobbelige weg te geraken.

We passeren het Yomdrok-Tso meer, dat met zijn azuurblauwe kleur de valse hoop van een aangename warme temperatuur opwekt, iets wat op 4.000 m hoogte alleen kan dankzij geothermiek en dat is hier niet aanwezig. Niemand gaat er in.

In de namiddag ben ik misselijk en rillerig. Wagenziek? Teveel gegeten? Griep? Voedselvergiftiging? Ik kruip om 8 uur in mijn bed en ben er de volgende middag gelukkig volledig bovenop.

Op weg naar Shigatse passeren we over onherbergzame bergpassen, waar dan wel Tibetanen met hun Yaks te vinden zijn ten behoeve van de toerist en waar kinderen bedelen voor geld, een pen of eten (in die volgorde).

In de valleien vind je de typische huizen: gebouwd met grote stenen en cirkelvormig gekalkt met ooit eens wit kalk. De vensters (vitraux) zijn redelijk groot en hebben allen een klein, kleurrijk afdakje. Romdom de vensters is een zwarte rand aangebracht, in de vorm van het Colruyt-logo . Het dak is plat en op de hoeken staan hopen gebedsvlaggen. Vele huizen hebben een gelijkvloers en een eerste verdieping, het gelijkvloers zijn stallingen.

De huizen zijn ommuurd en op de muren is oogst, hout of mest gestapeld om te drogen. Soms zie je de mest ook tegen de muren gekleefd. Overal lopen schapen, geiten, yaks, koeien, paarden en (irritante) honden.

Het is bijna herfst: ontelbare handen helpen bij het binnenhalen van de oogst en bij het winterklaar maken van de velden. Het lijkt op een schilderij van Vlaanderen ergens in de 19de eeuw (alleen als je de bergen op de achtergrond wegdenkt).

We stoppen in Gyantse, dat bekend is voor zijn klooster. Na het bezoek beloof ik mezelf dat dit de laatste keer is dat ik een Tibetaans klooster binnenga. Voor mij lijken ze allemaal op elkaar.

Gyantse is nog redelijk Tibetaans, maar ze hebben ook hier een toegeving gedaan aan Koning TV. Antennes en zelfs satellietschotels, en ontelbare video's die op een onmogelijk vroeg uur en met een veel te hoog geluidsvolume worden afgespeeld. Het zou me niet verwonderen indien Chinezen en Tibetanen dover zijn dan gemiddeld.

We bereiken Shigatse tegen de avond. De helft van de groep viert tot in de vroege uurtjes -ik haak om 11 uur af, wat ik een fantastische prestatie vind. Dit maakt dat de ontbijttafel de volgende morgen ondersteund wordt door gekreun en gezucht. Het leven is lastig na een nachtje doorzakken.

Niettemin hebben sommigen een overvol programma: klooster in de voormiddag en beklimming van het fort in de namiddag. Ik beperk me tot een wandeling tot aan de bank om weer maar eens geld te wisselen, de reis is stukken duurder dan ik dacht.

Op de terugweg glip ik een school binnen en gluur onbeschaamd in de klassen om het Tibetaans onderricht te kunnen zien. Een leerkracht nodigt me uit in de zangles, voor de kinderen een verwarrende ervaring. Ze moeten zich serieus houden en niets van mijn aanwezigheid aantrekken, maar hun gezichtjes verraden alles. Ik geef hen een daverend applaus.

In de gangen heerst anarchie. Overal lopen kinderen en ik word door klein grut een leerkrachtloze klas ingesleurd. Ik krijg een krijtje zodat ik Engels op het bord kan schrijven en ik geef toe aan hun terreur. Twee pogingen om hen het alfabet voor te lezen en ik geef het op. Ik ontsnap uit de klas.

De rest van de dag verloopt in Slow Motion, maar zonder het hoge geluidsvolume. Ik heb geen zin om me al te veel in te spannen. Ik spaar me voor wat komt. Het sparen blijkt een verstandige beslissing, want 's nachts kan de volledige groep het gejank, gehuil en gevecht van de honden in de straat gratis en voor niks volgen. De plannen voor een compleet uitroeiingsprogramma zijn gesmeed.

maandag 22 september 2008

Lhasa



20 - 22 september 1999

Wel, hier ben ik dan, in het Shangri-La, het centrum van een mysterieus land, in een stad die wereldwijd verzuchtingen oproept, een land dat tot voor kort verboden gebied was.

Mijn eerste indruk: Chinees en dat zal wel normaal zijn, want de Chinese overheid geeft subsidies aan Han-Chinezen die naar Tibet emigreren. De overgrote meerderheid van Lhasa zou Han-Chinees zijn en het deel waar ze wonen verschilt in niets van een andere Chinese stad: gebouwen met witte tegeltjes en kitsherige afwerking, een ongekende bouwwoede en iets chiquere departmentstores.

Ons hotel grenst aan het Tibetaans gedeelte van de stad, dat als kloppende hart de Jokhang tempel omvat. Uit alle hoeken van Tibet stromen de pelgrims toe om eerst het Barkhor circuit rondom de tempel af te leggen om daarna de pelgrimstocht in de tempel te vervolgen. Sommigen doen het in de "telkens volledig plat op de grond" versie, een inspannende bezigheid, zelfs op zeeniveau. De echten zijn op deze manier vanuit hun thuis vertrokken. Dit volkje is ongelooflijk devoot.

Als niet-pelgrim volg ik hen, eerst op het circuit rond de tempel, daarna in de tempel. Het pelgrimscircuit buiten is bezaaid met kraampjes waar je schoenen, hoeden, stoffen, kruiden, zadels, kledij, gebedswielen, juwelen en valse tanden kan kopen. Het zou kunnen dat devoot Tibet de bedevaart als excuus gebruikt om zich over te geven aan die andere godsdienst, ongebreideld consumeren.

In de tempel offeren de Tibetanen geld, voeding en vullen ze de kaarsen aan met vaste en vloeibare was, beiden voor een vriendenprijsje op de markt te koop. In deze spirituele omgeving ontgaat het me niet dat de monikken naarstig geld tellen, en te oordelen naar de bankbiljetten en de duur van het tellen, gaat het om veel geld. De N.V. Jokhang zal wel niet van de armsten zijn.

Dat ander hoogtepunt van Lhasa, het Potala paleis, vergt het uiterste van je uithoudingsvermogen. Het paleis werd op een heuvel gebouwd en miljoenen trappen -dit is toch de indruk als je ze op deze hoogte beklimt- leiden naar de ingang. Het paleis was ooit het politieke hart van Tibet, maar met de Daila Lama in ballingschap in India, is het een pelgrimsoord geworden. Er zouden meer dan 1000 kamers zijn, allen kleurrijk en met veel mankracht afgewerkt en gevuld met duizenden beeldjes en beelden.

In dit gebouw zijn ook een aantal Daila Lama's begraven, de 5de Dalai Lama ligt in een Chorten (een Tibetaans graf) dat meer dan 3.000 kg goud heeft gevergd. De omvang van de kunstschatten in dit paleis gaan mijn verbeeldingskracht te boven.

3 dagen in Lhasa en ik moet eerlijk zijn: er is geen nieuwe wereld voor me open gegaan en er is geen levensdroom vervuld. Het Tibetaans gedeelte van Lhasa is knap en het is een ervaring om te midden van de pelgrims te lopen, maar ik kan niet zeggen dat het een voor mij unieke ervaring was. Misschien heb ik het allemaal al meegemaakt in een vorig leven.

De Tibetanen zelf zijn vriendelijk en het kennis van het Engels is soms verbazend, maar laten we eerlijk zijn: Lhasa wordt overspoeld door toeristen. Ik denk niet dat dit het echte Tibet is. De ontmoeting van een paar dagen terug was voor mij veel unieker en echter. Ik hoop dat in de week die volgt er nog zo'n ontmoetingen zijn.

vrijdag 19 september 2008

Lhasa, waar ben je?




19 september 1999

Na amper drie kwartier rijden hebben we panne: een ring rond een van de rechterachterwielen is los en maakt een hels lawaai. We stoppen in het midden van een brede vallei waar schapen en yaks grazen.

Terwijl 4 stoere mannen een poging ondernemen om het wiel te vervangen, warmt de rest van de groep zich op in de zon. We zijn net een stel reptielen, zo zonafhankelijk.

Na een kwartier komen de kuddes schapen en yaks onze richting uit. We hebben blijkbaar de interesse gewekt van de herders, het zal onze eerste echte kennismaking worden met de Tibetanen.

Alhoewel we niet met elkaar kunnen spreken is er toch communicatie. Ze tonen hoe hun steenslinger werkt, hoe ze de kudde met fluitsignalen leiden, ze kijken met verwondering door onze camera's en halen grapjes met ons uit.

Een van de vrouwen zet me op een paard en als Lauren aan de beurt is, krijgt ze het zelfs in galop, een uitputtende bezigheid op deze hoogte. Ze zijn stukken knapper dan de gemiddelde Chinees, maar verspreiden een sterke Yakgeur. Hun vriendelijkheid en nieuwsgierigheid werkt hartverwarmend.

Na anderhalf uur nemen we afscheid, onze eerste kennismaking met Tibet was een succes.

Dan, na zoveel uren rijden, naderen we Lhasa. We durven dit te vieren met bier, een verfrissend idee na de afgelopen bierloze dagen omwille van de hoogte (Lhasa ligt toch nog op 3.700m).

75% van de vrachtwagen valt bijna in katzwijm bij het zien van het Potala Paleis, een gevoel dat ik niet kan delen. Tot voor een week had ik er nog nooit van gehoord en op het eerste zicht is het niet bepaald een hoogvlieger.

Voor de rest lijkt Lhasa Chinees: gebouwen afgewerkt met witte tegeltjes en blauw glas. Het verandert naarmate we ons hotel naderen, dat in het Tibetaans gedeelte van de stad ligt.

Het bier op deze hoogte eist zijn tol: we zijn uitgeteld en kijken uit naar een warm en comfortabel bed, voor velen een onmisbaar goed geworden. Ik had gerust nog een dagje kunnen kamperen.

donderdag 18 september 2008

Tibetaans plateau




17 en 18 september 1999

2 dagen rijden, rijden, rijden om hopelijk op zaterdagmiddag in Lhasa te geraken. De morgen start met vertraging omdat Scot, de weirdo van de groep, een epilepsie-aanval gehad heeft in het midden van de stad Golmud. Martin heeft hem op straat gevonden en dankzij de vele verpleegsters in onze groep is hij in goede handen.

Zijn zonderling gedrag -spreken met verheven stem, dingen vergeten, dingen niet horen of zien, kluizenaarsgedrag ...- zou voor een groot deel te wijten zijn aan de medicatie die een vierde van zijn rugzak in beslag neemt. Het is straf dat hij met zijn medische achtergrond nog reist.

De rest van de twee dagen spenderen we in de bijtende kou op een hoogte van minstens 4.500 m (record is 5.231 m). In de truck zit iedereen in dekens gewikkeld, met alle beschikbare kledij rond het lijf en hoofd gesnoerd. We lijken op Kenny van Southpark en indien de kou zo doorgaat zullen we "gekilled" worden.

De masochist van de groep -jullie ongetwijfeld bekend- spendeert de twee nachten buiten. De eerste nacht met één deken op de slaapzak en lichtjes kou, de tweede met twee dekens en gezellig warm. In de morgen lig ik te midden van een mooi rijplaagje.

De hoogte vergt zijn slachtoffers. Drie, waaronder Jez, ernstig ziek, de rest met een lichte hoofdpijn.

Het is verdacht stil in de vrachtwagen en af en toe voel je de spanning tussen verschillende mensen oplopen (en tussen ik en Phil, telkens we koken is het lopen op de toppen van de tenen). Het wordt tijd dat we Lhasa bereiken.

dinsdag 16 september 2008

Kou

16 september 1999

Het is bijtend, bijtend kou 's morgens. In onze race naar Lhasa staan we om 5 uur 30 op, anderhalf uur voor zonsopgang. Onze vingers zijn na 5 mnuten ijsstokjes en thee koelt zo vlug af dat je je kopje in één maal moet leegdrinken. Dit belooft voor de volgende dagen want deze kou is nog maar het begin.

Voor één keer zijn we ongeveer op tijd weg, maar na vijf minuten rijden ondervindt de vrachtwagen problemen. De dieseltanks zijn bevroren, ondanks de aanwezigheid van een scheutje benzine. Oplossing: vuurtje stoken onder de tanks. Ik vlucht na dit bericht onmiddellijk de vrachtwagen uit en hou mijn camera paraat voor het geval dat. Geen explosie echter, alleen vloeibare diesel is het resultaat.

De rest van de dag vordert aan een slakkengang, zowel in tijd als in afgelegde afstand. Dit maakt dat we veel te laat in Golmud arriveren en we geen inkopen kunnen doen. We zullen morgen, na een nachtje onverwachts hotel, de markten afstruinen. We zijn psychologisch niet voorbereid op dit nieuws: een warm bed en een warme douche. Zullen we deze onverwachte luxe aankunnen?

maandag 15 september 2008

The Race for Lhasa (bis)

15 september 1999

Mijn hoofd is na de exploten van gisteren verdacht goed. Niettemin beloof ik mezelf om vandaag een bierloze zoniet een bierminimale dag te houden.

We volgen, met Lhasa in ons achterhoofd, de dagelijkse routine van uren rijden, maar we vorderen langzaam. De wegen zijn slechts af en toe geasfalteerd en we leggen vele uren af op een weg in aanmaak: hobbelig, voortdurend omrijden, tergend traag. Er is veel personeel en bijna geen machines. Ik vraag me af wat de timing is voor deze weg.

De wegenwerkers slapen in tenten langs de weg en zijn hoogstwaarschijnlijk weken of maanden van huis weg. De omstandigheden waarin ze moeten werken en leven lijken me ook niet ideaal: brandende zon, ijzige wind en bijtende kou 's nachts.

Wat denken ze als ze een in hun ogen moderne vrachtwagen zien met daarop Westerlingen? Ik betwijfel of ze het concept vakantie en toerisme kennen.

Hoe langer ik hier rondreis, hoe gelukkiger ik me prijs dat ik in West-Europa geboren ben. Het is misschien een cliché, maar dit gevoel krijg ik hier wel. Armoede op tv is blijkbaar niet voldoende om het te doen beseffen, je moet het met eigen ogen zien.

zondag 14 september 2008

The race for Lhasa


14 september 1999

Weer een dag volgens de gekende routine, ik zal jullie de opsomming besparen. Nog enkele dagen en we bereiken Lhasa, de reden van deze race. We volgen een andere route dan normaal en rijden volgens lokalen door verboden gebied. We hebben echter twee politiecontroles die ons zonder problemen doorlaten. Het landschap is vlak,, met in de achtergrond gebergte. De begroeiing is laag en naarmate de dag vordert wordt ze schaarser.

De verveling slaat toe in de namiddag en er is maar een oplossing: drank. Op een veel te vroeg uur en op een iets te lege maag verdwijnt er iets te veel bier in mijn en ook in anderen hun lichaam. Het stijgt verbazendsnel naar mijn hoofd. Als we uit de truck moeten om hem uit de modder te duwen, profiteert Richard van mijn zwakheid om mijn haar (ondertussen al een halve centimeter lang) een moddermassage te geven. Het helpt niet om te ontnuchteren.

De rest van de avond zweef ik in hogere sferen terwijl het Engels uit mijn mond blijft vloeien, een feit waarover sommigen in de groep verbaasd zijn. Voor zij die geen tweede taal spreken is het een klein wonder dat andere mensen dat wel kunnen.

Ik begin het normaal te vinden dat je minstens een andere taal beheerst, want hoe meer mensen om mee te praten, hoe leuker. Ik heb nu al het goede voornemen om mijn kennis van het Duits op te frissen en Spaans te leren. Help me aan dit voornemen te herinneren als ik terug ben!